Tomas Van den Spiegel: ‘Semiprofs zijn prooien voor matchfixers in tennis’

ANTWERPEN – Roland Garros ligt achter de rug, Wimbledon zit in de eindfase. Tijdens die grand slams gaat er veel aandacht naar het prijzengeld, maar die astronomische bedragen verdoezelen de financiële problemen waar veel professionele tennissers mee worstelen. Onderzoekers van UAntwerpen doen samen met Tomas Van Den Spiegel (Sporthouse Group) enkele voorstellen om die ontwrichting tegen te gaan.

De eindoverwinning op Wimbledon levert zowel bij de mannen als bij de vrouwen maar liefst 2,5 miljoen euro op, verlies in de finale bijna de helft. Een verlies in de eerste ronde is toch ook al goed voor een mooie 34 000 euro. Toch is het al langer een publiek geheim dat het verdienmodel in het tennis heel erg is ontwricht. Matteo Balliauw en Thomas Verlinden van UAntwerpen: ‘Voor de starting fees en de echt lucratieve sponsorships komen enkel de absolute toppers in aanmerking.’ Beide onderzoekers verdiepten zich met student Jani Van Hecke in de thematiek.

Slechts de beste 250 spelers van de wereld bij vrouwen en mannen slagen erin om alle kosten die samen gaan met een professionele tenniscarrière ook effectief te dekken. Ex-topbasketter Tomas Van den Spiegel van Sporthouse Group: ‘Als je je als beloftevolle speler tussen nummer 250 en 500 op de ranking bevindt, verdien je vijfmaal minder dan je collega die tussen de plaatsen 100 en 250 zweeft. Je moet al bij de beste 250 geraken om alle investeringen die je hebt gedaan om daar te komen, te kunnen recupereren. Voor de anderen is het rekenen op de steun van een tennisfederatie of een andere vorm van financiering, heel vaak de ouders. Dit kan helaas niks anders betekenen dan dat veel talent verloren gaat.’ Lagere niveaus genereren dus relatief te weinig financiële middelen, zeker als je weet dat er bijna 1 000 professionele tennistornooien worden georganiseerd op jaarbasis (vier grand slams, 62 ATP-tornooien, 742 ITF-tornooien en 162 Challengers) bij de mannen en een kleine 700 (vier grand  slams, 60 WTA en 614 ITF) bij de vrouwen.

Van Den Spiegel: ‘In al deze tornooien kunnen ook punten worden verdiend voor de ATP- of WTA-ranking, wat ertoe leidt dat heel wat spelers en speelsters ambities blijven koesteren, zelfs wanneer ze feitelijk het niveau niet aankunnen, en zo hoge sommen blijven investeren in een eerder kansloze carrière. Hierdoor zijn er op vandaag om en bij de 9 000 mannelijke en 5 000 vrouwelijke professionele tennisspelers. Het mag dan ook geen wonder heten dat de verdeling van het totale prijzengeld als enige inkomstenbron voor het merendeel van deze spelers niet voldoet en sommigen van deze feitelijke semi-pro’s potentiële prooien zijn voor matchfixers.’ Balliauw en Verlinden: ‘Het aantal kleinere tornooien en het aantal professionele spelers moet worden gereduceerd. Het prijzengeld kan dan worden verhoogd en de organisatie wordt verplicht de verblijfskost van de deelnemers te dragen.’ Daarnaast zou men slechts punten kunnen koppelen aan een latere fase van de kleinere tornooien zodat enkel de écht beloftevolle spelers juiste ambities koesteren om hogerop te raken. Het prijzengeld in de toptornooien (grand slams en ATP) moet horizontaler worden verdeeld zodat een beloftevolle speler die erin slaagt de eerste of tweede ronde te halen meer financiële ademruimte krijgt en er moeten afgeschermde U-21 tornooien voor jonge spelers worden voorzien, met voor de winnaars een koppeling aan de bestaande professionele tornooien van de hogere niveaus. (EM)

Pin It on Pinterest